Spiegelfabricage

De eenvoudigste spiegel die wij kennen en die zeer zeker in de verre oudheid bekend was, maar ook nu nog (bij het kamperen bijvoorbeeld) wordt gebruikt is een glad wateroppervlak. De Egyptenaren en de Romeinen gebruikten spiegels van metaal, gepolijste ronde schijven met een steel.

Glasachtige spiegels werden ook al toegepast, zij het dan dat deze 'glazen' spiegels er heel anders uitzagen dan onze moderne spiegels. Men gebruikte daarvoor obsidiaan. Obsidiaan is een verzamelnaam voor glasachtige producten die ontstaan bij uitbarstingen van vulkanen. Bij sterke verhitting van obsidiaan ontwijken de gassen uit het materiaal en ontstaat er puimsteen. Puimsteen is dus eigenlijk niets anders is dan het schuim van vulkanisch glas. Donkere stukken ondoorzichtig obsidiaan met een zo glad mogelijk oppervlak werden in de muren vastgezet om te dienen als spiegel. In latere tijden schijnen de Romeinen spiegels uit glas vervaardigd te hebben door er metaallagen op aan te brengen. Dit blijkt uit opgravingen in Duitsland, waar onder andere een glazen spiegel is gevonden van 7 x 4 cm voorzien van een laagje bladgoud en afgedekt met een rode laklaag. Ook zijn er in de Romeinse graven uit de tweede en derde eeuw met lood bedekte glasstukken gevonden.
In de Middeleeuwen, vanaf de veertiende eeuw, werden spiegels gemaakt uit glazen bollen. De glasblazer blies een glazen bol en terwijl de bol nog gloeiend was, liet hij door de glasblazerspijp een mengsel van metalen zoals lood, antimoon en tin lopen. Daarna liet hij de bollen afkoelen en werden ze in stukken gesneden. Hierbij ontstonden dus klein gebogen (zogenaamde convexe) spiegeltjes. Dit vond men geen bezwaar; men wist eigenlijk niet beter, want de metalen spiegels die men al gebruikte, waren meestal ook verre van vlak. Uit deze manier van werken met vloeibare metalen heeft zich aan het eind van de middeleeuwen de kwikzilverspiegel ontwikkeld (de zogenaamde tin-amalgaam-spiegel). Wanneer dergelijke spiegels zijn ontstaan is niet precies bekend. Uit de dertiende en veertiende eeuw bestaat er wel literatuur, waarin dergelijke spiegels worden genoemd. De oorsprong is echter niet bekend; maar het gebruik van deze spiegels werd algemeen in de zestiende eeuw.
In 1507 vroegen de gebroeders Danzola del Gallo uit Murano bij Veneti‰ aan de zogenaamde Raad van Tien: "...het privilege voor 25 jaar voor de fabricage van goede en volmaakte spiegels van kristalglas, voor de gehele wereld onbekend, behalve voor een glasfabriek in Duitsland, die verbonden met een Vlaamse fabriek, het monopolie-bezit van deze fabricage...". Uit deze laatste toevoeging blijkt, dat in Duitsland en in Vlaanderen, deze methode reeds werd toegepast. In ieder geval was de methode vele jaren een geheim en de spiegels waren dan ook zeer duur.
In 1683 liet de Franse minister Colbert een Venetiaanse spiegel na van 115 x 65 cm, gemonteerd in een zilveren lijst. De spiegel werd voor bijna driemaal zoveel verkocht als een schilderij van Rubens, dat ook tot de nalatenschap behoorde!
De kwikzilverspiegels speelden vierhonderd jaar lang een hoofdrol in de spiegelindustrie. De reflecterende laag bestond uit circa 75 delen tin en circa 25 delen kwik, zodat men eigenlijk beter kon spreken van 'tinspiegels' dan van 'kwikspiegels'. Chemisch gezien was het echter geen van beide, maar werd er een verbinding tussen tin en kwik gevormd: het zogenaamde tin-amalgaam. Daarom moet er eigenlijk gesproken worden van een tin-amalgaamspiegel.
De fabricagemethode zelf was verschrikkelijk omslachtig en tijdrovend; men zou ongeveer als volgt te werk zijn gegaan. Op een goed vlakke steen (waar omheen een goot was aangebracht) werd een blad tin gelegd, rondom wat groter dan de te bewerken spiegel. Rond het blad tin werden met latten gelegd en met gewichten verzwaard. Daarna werd er wat kwik op het tin gegoten en dit kwik werd met een doek wat ingewreven in het tin, zodat er alvast enige verbinding tot stand kwam (in de middeleeuwen moest dit met een hazenpoot gebeuren!). Daarna werd een 3 tot 6 mm dikke kwiklaag opgegoten. Het drijvende vuil werd eraf gestreken met de scherpe kant van een lat en daarna liet men het schoongemaakte glas voorzichtig op het kwik glijden, zodat de glasplaat uiteindelijk op het kwik dreef. Dan werd het glas bedekt met een wollen deken en flink met gewichten belast. De latten rondom het glas werden weggenomen en het overtollige kwik kon via de gootjes weglopen. Vervolgens werd de steen met glasplaat iets schuin gezet, zodat er verder kwik kon afvloeien en men liet de glasplaat zo enkele dagen liggen. Daarna werd de glasplaat, nog steeds hellend, op een druiprek geplaatst, eerst op een hoek en daarna op een van de zijden en zo bleef hij gedurende circa drie weken staan.
Volgens de beschrijving was het afnemen van de glasplaat van de tafel het kritieke moment, want kwam er op dat moment een donderslag (in de oude literatuur werden zelfs kanonschoten genoemd), dan liep het kwik plotseling weg en kon men opnieuw beginnen. Het productieproces voor het maken van spiegels was dus een ingewikkeld gebeuren; er kwam nog wel wat kijken voor er een spiegel gemaakt was. Bovendien zijn kwikdampen erg giftig en was de bewerking dus erg ongezond. Vandaar dan ook, dat dergelijke spiegels tegenwoordig niet meer gemaakt worden. In een oud boek wordt dan ook gezegd: "Een spiegel is gevaarlijk, zegt men, voor haar, die zich erin bekijkt, maar dat is ongelukkig genoeg nog meer waar voor hem, die hem maakt en de verzilvering zal dan ook de lof verdienen van de industrie en van de mensheid."
De kwikspiegels waren overigens goed bestand tegen allerlei invloeden. Ook oude spiegels van dit type zien er nog dikwijls heel behoorlijk uit. Soms een soort kristallisatie van het tin-amalgaam te zien, vooral aan de onderkant van de spiegel (de kant waarop de spiegel gestaan heeft en waarlangs het kwik was weggevloeid).

In de vorige eeuw vonden er geweldige ontwikkelingen van de scheikunde plaats en ook de spiegelindustrie ondervond hiervan de gevolgen. Verschillende landen betwisten elkaar de eer, de uitvinder van de zilverspiegel te hebben voortgebracht: in de meeste Duitse boeken leest u de naam Liebig, in de Engelse Drayton, de Franse literatuur houdt het maar op de Fransman Petit-Jean en in Itali‰ spreekt men over Choron. De meeste kans maakt de Duitser Liebig echter wel, want reeds in 1835 vestigde hij er de aandacht op in ‚‚n van zijn publicaties, dat: "...wanneer men aldehyde met een zilvernitraatoplossing vermengt en vervolgens verwarmt, er een reductie tot stand komt, waardoor zilver zich op de wand van het vat afzet en een schitterende spiegel vormt."
Op dit principe zijn eigenlijk de meeste onderzoekers verder gegaan en in de loop van de jaren zijn er een erg veel procédé's ontwikkeld en ook gepatenteerd.

Hedendaagse spiegelfabricage De fabricage van spiegels vindt nu plaats op een lopende-band-systeem van ongeveer 450 m lengte.